Verordening (EG) Nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad van
27 januari 1997 betreffende nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe
voedselingrediënten
Publicatieblad Nr. L 043 van 14/02/1997
blz. 0001 - 0006
VERORDENING (EG) nr. 258/97 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 27
januari 1997 betreffende nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe
voedselingrediënten HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid
op artikel 100 A, Gezien het voorstel van de Commissie (1), Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2), Volgens de procedure van artikel 189 B van het Verdrag (3), gezien de op 9
december 1996 door het bemiddelingscomité goedgekeurde gemeenschappelijke
ontwerptekst, (1) Overwegende dat verschillen tussen de nationale wetgevingen met
betrekking tot nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten het vrije
verkeer van levensmiddelen kunnen belemmeren; dat zij aanleiding kunnen geven
tot oneerlijke concurrentievoorwaarden en aldus rechtstreeks van invloed kunnen
zijn op de werking van de interne markt; (2) Overwegende dat met het oog op de bescherming van de volksgezondheid
nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten, alvorens zij in de
Gemeenschap in de handel worden gebracht, moeten worden onderworpen aan een
uniforme veiligheidscontrole volgens een communautaire procedure; dat voor
nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten die wezenlijk
gelijkwaardig zijn aan bestaande voedingsmiddelen of voedselingrediënten een
vereenvoudigde procedure moet worden vastgesteld; (3) Overwegende dat levensmiddelenadditieven, aroma's voor gebruik in
levensmiddelen en extractiemiddelen onder andere communautaire regelingen vallen
en derhalve van de toepassing van deze verordening moeten worden
uitgesloten; (4) Overwegende dat passende maatregelen dienen te worden getroffen voor het
in de handel brengen van nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten
die afkomstig zijn van plantensoorten die vallen onder Richtlijn 70/457/EEG van
de Raad van 29 september 1970 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst voor
landbouwgewassen (4) en Richtlijn 70/458/EEG van de Raad van 29 september 1970
betreffende het in de handel brengen van groentezaad (5); (5) Overwegende dat nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten die
genetisch gemodificeerde organismen bevatten of die uit dergelijke organismen
zijn opgebouwd, een risico voor het milieu kunnen opleveren; dat in Richtlijn
90/220/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake de doelbewuste introductie van
genetisch gemodificeerde organismen in het milieu (6) is bepaald dat voor
dergelijke producten altijd een milieurisicobeoordeling moet plaatsvinden om de
veiligheid voor het milieu te waarborgen; dat, teneinde te voorzien in een
uniform communautair systeem voor beoordeling van dergelijke producten, in deze
verordening, samen met de beoordeling van de geschiktheid van het product om als
voedingsmiddel of voedselingrediënt te worden gebruikt, een specifieke
milieu-risicobeoordeling moet worden vastgesteld die overeenkomstig de
procedures van artikel 10 van Richtlijn 90/220/EEG vergelijkbaar moet zijn met
die van de genoemde richtlijn; (6) Overwegende dat bij het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke
voeding, ingesteld bij Besluit 74/234/EEG van de Raad (7), advies moet worden
ingewonnen inzake iedere kwestie in verband met deze verordening die mogelijk
gevolgen heeft voor de volksgezondheid; (7) Overwegende dat de bepalingen van Richtlijn 89/397/EEG van de Raad van 14
juni 1989 inzake de officiële controle op levensmiddelen (8) en van Richtlijn
93/99/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende aanvullende maatregelen
inzake de officiële controle op levensmiddelen (9) van toepassing zijn op nieuwe
voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten; (8) Overwegende dat, onverminderd andere vereisten van gemeenschapsrecht op
het gebied van etikettering van voedingsmiddelen, bijzondere aanvullende eisen
moeten worden gesteld inzake de etikettering; dat deze vereisten in bijzondere
bepalingen moeten worden opgenomen zodat de consument over de nodige informatie
kan beschikken; dat, indien in een nieuw voedingsmiddel stoffen voorkomen die in
het bestaande, gelijkwaardige levensmiddel niet voorkomen, moet worden gezorgd
voor een goede voorlichting van bepaalde bevolkingsgroepen met bepaalde vaste
voedingsgewoonten die tegen deze stoffen ethische bezwaren hebben; dat
voedingsmiddelen en voedselingrediënten die genetisch gemodificeerde organismen
bevatten en die op de markt worden gebracht, onschadelijk dienen te zijn voor de
menselijke gezondheid; dat dit wordt gewaarborgd door de inachtneming van de
toestemmingsprocedure van Richtlijn 90/220/EEG en/of door de uniforme
beoordelingsprocedure van de onderhavige verordening; dat, in zoverre een
organisme in de communautaire wetgeving is omschreven, ten aanzien van de
etikettering, informatie aan de consument over de aanwezigheid van een genetisch
gemodificeerd organisme een bijkomend vereiste vormt dat van toepassing is op
voedingsmiddelen en voedselingrediënten zoals bedoeld in de onderhavige
verordening; (9) Overwegende dat ten aanzien van levensmiddelen of voedselingrediënten die
bestemd zijn om op de markt te worden gebracht om aan de eindgebruiker te worden
geleverd, en die zowel genetisch gemodificeerde als conventionele producten
kunnen bevatten, en onverminderd de overige etiketteringsvoorschriften van deze
verordening, informatie aan de consument over de mogelijkheid dat bepaalde
levensmiddelen en voedselingrediënten genetisch gemodificeerde organismen
bevatten, wordt geacht - bij wijze van uitzondering, in het bijzonder ten
aanzien van zeer grote partijen - aan de vereisten van artikel 8 te voldoen; (10) Overwegende dat een leverancier niets in de weg staat de consument via
het etiket op een levensmiddel of voedselingrediënt erover te informeren dat het
desbetreffende product geen nieuw voedingsmiddel is in de zin van deze
verordening of dat de in artikel 1, lid 2, genoemde technieken met behulp
waarvan nieuwe voedingsmiddelen worden verkregen, niet zijn gebruikt bij de
productie van het desbetreffende levensmiddel of voedselingrediënt; (11) Overwegende dat met betrekking tot deze verordening moet worden voorzien
in een procedure voor nauwe samenwerking tussen de Lidstaten en de Commissie in
het kader van het Permanent Comité voor levensmiddelen dat is ingesteld bij
Besluit 69/414/EEG van de Raad (10); (12) Overwegende dat op 20 december 1994 tussen het Europees Parlement, de
Raad en de Commissie een "modus vivendi" is overeengekomen betreffende de
maatregelen ter uitvoering van de besluiten die zijn vastgesteld volgens de
procedure van artikel 189 B van het Verdrag (11), HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 1. Deze verordening betreft het in de handel brengen in de Gemeenschap van
nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten. 2. Deze verordening is van toepassing op het in de handel brengen in de
Gemeenschap van voedingsmiddelen en voedselingrediënten die tot dusver in de
Gemeenschap niet in significante mate voor menselijke voeding zijn gebruikt en
die vallen onder de volgende categorieën: a) voedingsmiddelen en voedselingrediënten die genetisch gemodificeerde
organismen in de zin van Richtlijn 90/220/EEG bevatten of die uit dergelijke
organismen bestaan; b) voedingsmiddelen en voedselingrediënten die zijn geproduceerd met
genetisch gemodificeerde organismen maar deze niet bevatten; c) voedingsmiddelen en voedselingrediënten met een nieuwe of doelbewust
gemodificeerde primaire molecuulstructuur; d) voedingsmiddelen en voedselingrediënten bestaande of geïsoleerd uit
micro-organismen, schimmels of algen; e) voedingsmiddelen en voedselingrediënten bestaande of geïsoleerd uit
planten alsmede voedselingrediënten die uit dieren zijn geïsoleerd, met
uitzondering van voedingsmiddelen en voedselingrediënten die volgens
traditionele vermeerderings- of teeltmethodes zijn verkregen en die sinds lang
veilig voor voedingsdoeleinden worden gebruikt; f) voedingsmiddelen en voedselingrediënten waarop een weinig gebruikt
productieprocédé is toegepast, voor zover dit procédé wijzigingen in de
samenstelling of de structuur van de voedingsmiddelen of voedselingrediënten
veroorzaakt die significant zijn voor hun voedingswaarde, hun metabolisme of hun
gehalte aan ongewenste stoffen. 3. In voorkomend geval kan volgens de procedure van artikel 13 worden
vastgesteld of een soort voedingsmiddel of voedselingrediënt onder het bepaalde
in lid 2 van dit artikel valt. Artikel 2 1. Deze verordening is niet van toepassing op: a) levensmiddelenadditieven die vallen onder Richtlijn 89/107/EEG van de Raad
van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der
Lidstaten inzake levensmiddelenadditieven die in voor menselijke voeding
bestemde waren mogen worden gebruikt (12); b) aroma's voor gebruik in levensmiddelen die vallen onder Richtlijn
88/388/EEG van de Raad van 22 juni 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van
de wetgevingen der Lidstaten inzake aroma's voor gebruik in levensmiddelen en de
uitgangsmaterialen voor de bereiding van die aroma's (13); c) bij de productie van levensmiddelen gebruikte extractiemiddelen die vallen
onder Richtlijn 88/344/EEG van de Raad van 13 juni 1988 betreffende de
onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten inzake het gebruik van
extractiemiddelen bij de productie van levensmiddelen en bestanddelen (14). 2. De uitzonderingen op de werkingssfeer van deze verordening waarvan sprake
is in lid 1, onder a) tot en met c), zijn slechts van toepassing zolang de
veiligheidsniveaus die zijn vastgelegd in de Richtlijnen 89/107/EEG, 88/388/EEG
en 88/344/EEG overeenkomen met het veiligheidsniveau van de onderhavige
verordening. 3. Met inachtneming van artikel 11 onderzoekt de Commissie of de
veiligheidsniveaus die zijn vastgelegd in bovengenoemde richtlijnen, met
inbegrip van uitvoeringsmaatregelen voor deze richtlijnen en deze verordening,
overeenkomen met het veiligheidsniveau van de onderhavige verordening. Artikel 3 1. Voedingsmiddelen of voedselingrediënten die onder deze verordening
vallen: - mogen geen gevaar voor de consument opleveren; - mogen de consument niet misleiden; - mogen niet zodanig van de voedingsmiddelen of voedselingrediënten ter
vervanging waarvan zij zijn bedoeld, verschillen dat de normale consumptie ervan
uit voedingsoogpunt voor de consument nadelig zou zijn. 2. Voor het in de Gemeenschap in de handel brengen van de onder deze
verordening vallende voedingsmiddelen en voedselingrediënten zijn de procedures
van de artikelen 4, 6, 7 en 8 van toepassing op basis van de in lid 1 van dit
artikel omschreven criteria en van de andere in genoemde artikelen bedoelde
relevante factoren. Wat betreft de in deze verordening bedoelde voedingsmiddelen en
voedselingrediënten die afkomstig zijn van plantensoorten die vallen onder de
Richtlijnen 70/457/EEG en 70/458/EEG, wordt het in artikel 7 van deze
verordening bedoelde vergunningsbesluit genomen in het kader van de in die
richtlijnen beoogde procedures en met inachtneming van de bij deze verordening
vastgestelde beoordelingsbeginselen en de in lid 1 van dit artikel bedoelde
criteria; de bepalingen betreffende de etikettering van deze voedingsmiddelen of
voedselingrediënten worden evenwel vastgesteld overeenkomstig artikel 8 en
volgens de procedure van artikel 13. 3. Lid 2 is niet van toepassing op de in artikel 1, lid 2, onder b), bedoelde
voedingsmiddelen en voedselingrediënten als het in de productie van het
voedingsmiddel of voedselingrediënt gebruikte genetisch gemodificeerde organisme
overeenkomstig deze verordening in de handel is gebracht. 4. In afwijking van lid 2 is de procedure van artikel 5 van toepassing op de
in artikel 1, lid 2, onder b), d) en e), bedoelde voedingsmiddelen of
voedselingrediënten die volgens de beschikbare en algemeen erkende
wetenschappelijke gegevens of volgens een advies van een van de krachtens
artikel 4, lid 3, bevoegde instanties, qua samenstelling, voedingswaarde,
metabolisme, beoogd gebruik en gehalte aan ongewenste stoffen, wezenlijk
gelijkwaardig zijn aan bestaande voedingsmiddelen of voedselingrediënten. In voorkomend geval kan volgens de procedure van artikel 13 worden
vastgesteld of een soort voedingsmiddel of voedselingrediënt onder het in
onderhavig lid bepaalde valt. Artikel 4 1. De voor het in de Gemeenschap in de handel brengen verantwoordelijke
persoon, hierna "de aanvrager" te noemen, dient een verzoek in bij de Lidstaat
waar het product voor het eerst in de handel moet worden gebracht.
Tegelijkertijd zendt hij een afschrift van het verzoek aan de Commissie. 2. Vervolgens vindt de in artikel 6 bedoelde eerste beoordeling plaats. Na de in artikel 6, lid 4, bedoelde beoordeling deelt de in lid 1 bedoelde
Lidstaat de aanvrager onmiddellijk mee: - ofwel dat hij mag overgaan tot het in de handel brengen van het
voedingsmiddel of voedselingrediënt, mits de in artikel 6, lid 3, bedoelde
aanvullende beoordeling niet vereist is en er niet, overeenkomstig artikel 6,
lid 4, een met redenen omkleed bezwaar is ingediend, - ofwel dat er een vergunningsbesluit overeenkomstig artikel 7 vereist
is. 3. De Lidstaten delen aan de Commissie naam en adres mee van de instanties
voor beoordeling van voedingsmiddelen die op hun grondgebied belast zijn met het
opstellen van de in artikel 6, lid 2, bedoelde verslagen van de eerste
beoordeling. 4. Vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening publiceert de
Commissie aanbevelingen met betrekking tot de wetenschappelijke aspecten
van: - de informatie die nodig is om een aanvraag te ondersteunen, alsmede de
presentatie daarvan; - het opstellen van de in artikel 6 bedoelde verslagen van de eerste
beoordeling. 5. De eventuele uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden aangenomen
overeenkomstig de procedure van artikel 13. Artikel 5 In het geval van de in artikel 3, lid 4, bedoelde voedingsmiddelen en
voedselingrediënten stelt de aanvrager de Commissie van het in de handel brengen
in kennis. Deze mededeling gaat vergezeld van de in artikel 3, lid 4, bedoelde
relevante gegevens. De Commissie verstrekt de Lidstaten binnen 60 dagen een
afschrift van deze mededeling en, op verzoek van een Lidstaat, een afschrift van
genoemde relevante gegevens. De Commissie publiceert elk jaar in de C-reeks van
het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen een samenvatting van die
mededelingen. Voor de etikettering gelden de bepalingen van artikel 8. Artikel 6 1. Het in artikel 4, lid 1, bedoelde verzoek bevat de nodige informatie,
waaronder een verslag van de verrichte onderzoeken en alle andere gegevens aan
de hand waarvan kan worden aangetoond dat het voedingsmiddel of het
voedselingrediënt voldoet aan de criteria van artikel 3, lid 1, alsmede een
passend voorstel voor de presentatie en de etikettering van het voedingsmiddel
of voedselingrediënt overeenkomstig de vereisten van artikel 8. Daarnaast gaat
de aanvraag vergezeld van een beknopt overzicht van het dossier. 2. Na ontvangst van de aanvraag zorgt de in artikel 4, lid 1, bedoelde
Lidstaat ervoor dat er een eerste beoordeling plaatsvindt. Daartoe deelt hij de
Commissie de naam mee van de instantie bevoegd voor de beoordeling van
voedingsmiddelen die belast is met het opstellen van het verslag van de eerste
beoordeling, ofwel verzoekt hij de Commissie een regeling te treffen met een
andere Lidstaat teneinde een van de in artikel 4, lid 3, genoemde
beoordelingsinstanties een dergelijk verslag te doen opstellen. De Commissie stuurt de Lidstaten onverwijld een afschrift toe van het door de
aanvrager verstrekte beknopte overzicht van het dossier en deelt hun de naam mee
van de bevoegde instantie die belast is met het verrichten van de eerste
beoordeling. 3. Het verslag van de eerste beoordeling wordt binnen drie maanden na
ontvangst van het aan de voorwaarden van lid 1 beantwoordende verzoek
overeenkomstig de aanbevelingen van artikel 4, lid 4, opgesteld en concludeert
of het voedingsmiddel of voedselingrediënt een aanvullende beoordeling behoeft
overeenkomstig artikel 7. 4. De betrokken Lidstaat zendt het verslag van de voor de beoordeling van
voedingsmiddelen bevoegde instantie onmiddellijk toe aan de Commissie, die het
verslag toezendt aan de Lidstaten. Binnen 60 dagen na de datum van toezending
van het verslag door de Commissie kunnen de Lidstaten of de Commissie
opmerkingen formuleren over of een met redenen omkleed bezwaar indienen tegen
het in de handel brengen van het desbetreffende voedingsmiddel of
voedselingrediënt. De opmerkingen of bezwaren kunnen ook betrekking hebben op de
presentatie of de etikettering van het voedingsmiddel of voedselingrediënt. De geformuleerde opmerkingen of bezwaren moeten worden gericht aan de
Commissie en worden door de Commissie binnen bovenbedoelde termijn van 60 dagen
ter kennis van de Lidstaten gebracht. Op verzoek van een Lidstaat verstrekt de aanvrager een afschrift van de
dienstige gegevens. Artikel 7 1. Wanneer overeenkomstig artikel 6, lid 3, een aanvullende beoordeling
vereist is of overeenkomstig artikel 6, lid 4, een bezwaar wordt ingediend,
wordt een vergunningsbesluit genomen volgens de procedure van artikel 13. 2. In het besluit wordt de draagwijdte van de vergunning vermeld en worden
voor zover dat nodig is vastgesteld: - de voorwaarden voor het gebruik van het voedingsmiddel of het
voedselingrediënt; - de benaming van het voedingsmiddel of het voedselingrediënt, alsmede de
specificatie ervan; - de in artikel 8 bedoelde specifieke etiketteringsvoorschriften. 3. De Commissie stelt de aanvrager onverwijld in kennis van het genomen
besluit. De besluiten worden bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese
Gemeenschappen. Artikel 8 1. Onverminderd de andere voorschriften van de communautaire wetgeving inzake
etikettering van levensmiddelen, zijn de volgende aanvullende specifieke
voorschriften inzake etikettering van toepassing op levensmiddelen teneinde de
eindgebruiker in te lichten omtrent: a) alle kenmerken of eigenschappen van levensmiddelen zoals: - de samenstelling, - de voedingswaarde of het nutritieve effect, - het beoogde gebruik van het voedingsmiddel, waardoor een nieuw voedingsmiddel of voedselingrediënt niet langer
gelijkwaardig is aan een bestaand voedingsmiddel of voedselingrediënt. Een nieuw voedingsmiddel of voedselingrediënt wordt geacht niet langer
gelijkwaardig te zijn in de zin van dit artikel indien wetenschappelijk
onderzoek, gebaseerd op een passende analyse van bestaande gegevens, kan
aantonen dat de onderzochte kenmerken verschillend zijn in vergelijking met
conventionele voedingsmiddelen of voedselingrediënten, rekening houdend met de
aanvaarde limieten van natuurlijke afwijkingen voor zulke kenmerken. In dat geval moet het etiket deze gewijzigde kenmerken of eigenschappen
vermelden, met aanduiding van de methode volgens welke de nieuwe kenmerken of
eigenschappen zijn verkregen: b) de aanwezigheid in het nieuwe voedingsmiddel of voedselingrediënt van
stoffen die niet voorkomen in bestaande gelijkwaardige levensmiddelen en die
gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van bepaalde
bevolkingscategorieën; c) de aanwezigheid in het nieuwe voedingsmiddel of voedselingrediënt van
stoffen die niet voorkomen in bestaande gelijkwaardige levensmiddelen en die
aanleiding geven tot ethische bezwaren; d) de aanwezigheid van een genetisch gemodificeerd organisme, dat met
technieken voor genetische modificatie, zoals opgenomen in de eventueel aan te
vullen lijst van bijlage I A, deel 1, van Richtlijn 90/220/EEG, genetisch
gemodificeerd is. 2. Indien gelijkwaardige voedingsmiddelen of voedselingrediënten niet
bestaan, worden, indien nodig, passende bepalingen aangenomen teneinde ervoor te
zorgen dat de consument goed wordt geïnformeerd over de aard van het
voedingsmiddel of voedselingrediënt. 3. De eventuele toepassingsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld met
inachtneming van de procedure van artikel 13. Artikel 9 1. Indien het voedingsmiddel of voedselingrediënt dat binnen het
toepassingsgebied van deze verordening valt, geheel of gedeeltelijk bestaat uit
genetisch gemodificeerde organismen in de zin van artikel 2, leden 1 en 2, van
Richtlijn 90/220/EEG, dienen de gegevens die bij de in artikel 6, lid 1,
bedoelde aanvraag voor het in de handel brengen zijn vereist, vergezeld te gaan
van de volgende documenten: - in voorkomend geval een afschrift van de door de bevoegde instantie
afgegeven schriftelijke toestemming tot doelbewuste introductie van genetisch
gemodificeerde organismen voor onderzoek- en ontwikkelingsdoeleinden, bedoeld in
artikel 6, lid 4, van Richtlijn 90/220/EEG, tezamen met de resultaten van de
introductie(s) in verband met enig risico voor de menselijke gezondheid of het
milieu; - het volledige technisch dossier met de in artikel 11 van Richtlijn
90/220/EEG omschreven relevante gegevens en de op deze gegevens gebaseerde
milieurisicobeoordeling; de resultaten van alle onderzoeken die voor onderzoek-
en ontwikkelingsdoeleinden zijn uitgevoerd, of, in voorkomend geval, het met
deel C van Richtlijn 90/220/EEG overeenstemmende besluit waarbij toestemming
wordt gegeven om het product in de handel te brengen. De artikelen 11 tot en met 18 van Richtlijn 90/220/EEG zijn niet van
toepassing op voedingsmiddelen of voedselingrediënten die geheel of gedeeltelijk
uit genetisch gemodificeerde organismen bestaan. 2. Wanneer binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallende
voedingsmiddelen of voedselingrediënten geheel of gedeeltelijk uit genetisch
gemodificeerde organismen bestaan, wordt bij het nemen van het in artikel 7
bedoelde besluit rekening gehouden met de bij Richtlijn 90/220/EEG vastgestelde
veiligheidsvoorschriften met betrekking tot het milieu, zodat alle passende
maatregelen worden genomen ter voorkoming van schadelijke effecten voor de
volksgezondheid en het milieu, die kunnen optreden als gevolg van de doelbewuste
introductie van genetisch gemodificeerde organismen. Tijdens de beoordeling van
aanvragen voor het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk
bestaan uit genetisch gemodificeerde organismen, zullen de Commissie of de
Lidstaten het noodzakelijke overleg plegen met de door de Gemeenschap of de
Lidstaten overeenkomstig Richtlijn 90/220/EEG opgerichte instanties. Artikel 10 Nadere regels voor de bescherming van de gegevens die worden verstrekt door
de aanvrager worden vastgelegd overeenkomstig de procedure van artikel 13. Artikel 11 Het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding wordt geraadpleegd
over elke kwestie die binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt en
waarvan mag worden verwacht dat zij van invloed is op de volksgezondheid. Artikel 12 1. Indien een Lidstaat ingevolge nieuwe informatie of een nieuwe beoordeling
van bestaande informatie gegronde redenen heeft om aan te nemen dat het gebruik
van een voedingsmiddel of voedselingrediënt dat conform is aan deze verordening,
gevaar voor de menselijke gezondheid of het milieu kan opleveren, kan die
Lidstaat de handel in en het gebruik van het betreffende voedingsmiddel of
voedselingrediënt op zijn grondgebied tijdelijk schorsen of beperken. De
betrokken Lidstaat stelt de overige Lidstaten en de Commissie daarvan onverwijld
in kennis onder opgave van de redenen die tot zijn besluit hebben geleid. 2. De Commissie onderzoekt zo spoedig mogelijk in het Permanent Comité voor
levensmiddelen de in lid 1 bedoelde redenen; zij neemt passende maatregelen
volgens de procedure van artikel 13. De Lidstaat die het in lid 1 bedoelde
besluit heeft aangenomen, kan dit besluit handhaven tot op het tijdstip van
inwerkingtreding van deze maatregelen. Artikel 13 1. Ingeval de in dit artikel omschreven procedure wordt ingeleid, wordt de
Commissie bijgestaan door het bij Besluit 69/414/EEG ingestelde Permanent Comité
voor levensmiddelen, hierna "het comité" genoemd. 2. De voorzitter leidt, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de
vertegenwoordiger van een Lidstaat, deze procedure in bij het comité. 3. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van
de te nemen maatregelen. Het comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen
een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de
materie. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in
artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de
besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de
stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de
Lidstaten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan
de stemming deel. 4. a) De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in
overeenstemming zijn met het advies van het comité. b) Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies
van het comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie
onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De
Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. Indien na verloop van een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de datum
van indiening van het voorstel bij de Raad, deze geen besluit heeft genomen,
stelt de Commissie de voorgestelde maatregelen vast. Artikel 14 1. De Commissie zendt de Raad en het Europees Parlement, binnen vijf jaar na
de inwerkingtreding van deze verordening en in het licht van de opgedane
ervaring, een verslag over de tenuitvoerlegging van de verordening toe, dat in
voorkomend geval vergezeld gaat van passende voorstellen. 2. Niettegenstaande het verslag als bedoeld in lid 1, houdt de Commissie
toezicht op de tenuitvoerlegging van deze verordening en het effect ervan op de
gezondheid, de consumentenbescherming, de consumentenvoorlichting en de werking
van de interne markt, en dient indien nodig zo spoedig mogelijk voorstellen
in. Artikel 15 Deze verordening treedt in werking 90 dagen na haar bekendmaking in het
Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks
toepasselijk in elke Lidstaat. Gedaan te Brussel, 27 januari 1997. Voor het Europees Parlement De Voorzitter J. M. GIL-ROBLES Voor de Raad De Voorzitter G. ZALM (1) PB nr. C 190 van 29. 7. 1992, blz. 3, en PB nr. C 16 van 19. 1. 1994,
blz. 10. (2) PB nr. C 108 van 19. 4. 1993, blz. 8. (3) Advies van het Europees Parlement van 27 oktober 1993 (PB nr. C 315 van
22. 11. 1993, blz. 139), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 23 oktober
1995 (PB nr. C 320 van 30. 11. 1995, blz. 1), besluit van het Europees Parlement
van 12 maart 1996 (PB nr. C 96 van 1. 4. 1996, blz. 26), besluit van de Raad van
19 december 1996 en besluit van het Europees Parlement van 16 januari 1997. (4) PB nr. L 225 van 12. 10. 1970, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd
bij Richtlijn 90/654/EEG (PB nr. L 353 van 17. 12. 1990, blz. 48). (5) PB nr. L 225 van 12. 10. 1970, blz. 7. Richtlijn laatstelijk gewijzigd
bij Richtlijn 90/654/EEG. (PB nr. L 353 van 17. 12. 1990, blz. 48). (6) PB nr. L 117 van 8. 5. 1990, blz. 15. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij
Richtlijn 94/15/EG (PB nr. L 103 van 22. 4. 1994, blz. 20). (7) PB nr. L 136 van 20. 5. 1974, blz. 1. (8) PB nr. L 186 van 30. 6. 1989, blz. 23. Richtlijn laatstelijk gewijzigd
bij Richtlijn 93/99/EEG (PB nr. L 290 van 24. 11. 1993, blz. 14). (9) PB nr. L 290 van 24. 11. 1993, blz. 14. (10) PB nr. L 291 van 19. 11. 1969, blz. 9. (11) PB nr. C 102 van 4. 4. 1996, blz. 1. (12) PB nr. L 40 van 11. 2. 1989, blz. 27. Richtlijn laatstelijk gewijzigd
bij Richtlijn 94/34/EG (PB nr. L 237 van 10. 9. 1994, blz. 1). (13) PB nr. L 184 van 15. 7. 1988, blz. 61. Richtlijn laatstelijk gewijzigd
bij Richtlijn 91/71/EEG (PB nr. L 42 van 15. 2. 1991, blz. 25). (14) PB nr. L 157 van 24. 6. 1988, blz. 28. Richtlijn laatstelijk gewijzigd
bij Richtlijn 92/115/EEG (PB nr. L 409 van 31. 12. 1992, blz. 31). VERKLARING VAN DE COMMISSIE - AD ARTIKEL 2 De Commissie bevestigt dat, indien in de praktijk blijkt dat er in het
stelsel van de bescherming van de volksgezondheid waarin door het bestaande
wettelijke kader wordt voorzien, lacunes zijn, met name met betrekking tot
verwerkingshulpmiddelen, zij passende voorstellen zal doen om deze lacunes te
vullen.